Ik stond daar in dat ijskoude zwembad, mijn kleren aan mijn lijf geplakt, en hoorde ze lachen. Mijn man Jeroen, zijn moeder Hanneke, de hele familie. Ik had dit weekend maandenlang voorbereid, een…

De gasten begonnen zich al voor de veranda te verzamelen toen Marieke voor de derde keer langs de keukentafel liep. Buiten klonken stemmen, gelach, het geklepper van glazen. Ze school een schaal met aardappelsalade een stukje opzij, controleerde of de sauskom nog vol was en veegde een onzichtbaar stofje van het tafelkleed. Achter haar klonk het gekraak van de houten vloer.

Thumbnail

Jeroen leunde tegen de deurpost met een glas bier in zijn hand. Hij glimlachte niet. Dat deed hij al maanden niet echt meer, maar vandaag leek hij het ook niet te hoeven. Zijn moeder is er al.

Hij zei het alsof het een waarschuwing was, geen mededeling. Marieke knikte zonder zich om te draaien. Ik weet het. Ze heeft me vanochtend gebeld.

Jeroen zei niets terug. Hij nam een slok bier en liep weer naar buiten, waar zijn moeder Hanneke met haar vriendelijke stem al om hem riep. Marieke stond nog een tel stil. Haar handen trilden niet, maar ze balde ze even.

Ze had zich voorgenomen om vandaag niet te vallen. Niet in oude gewoontes, niet in verwijten. Haar eigen moeder had haar ooit verteld dat je bij een feest moet lachen tot je kaken pijn doen, ook al voel je je alsof je kopje onder water wordt geduwd. Het zou één dag zijn.

Eén dag zonder ruzie. Voor Jeroen. Ze had het vakantiehuis al weken van tevoren geboekt, buiten Apeldoorn. Een houten villa met een grote veranda, een open haard, een lange tuintafel en een rond zwembad dat de eigenaar nog vol had laten lopen, ook al was het pas begin mei en het water zo koud dat je huid ervan samentrok.

Het had bijna haar hele privé-inkomen van de maand gekost, maar dat had ze niet erg gevonden. De laatste tijd kwam Jeroen somber thuis. Klaagde over zijn leidinggevende. Zei dat niemand zijn waarde zag.

Ze wilde hem één dag geven waarop hij zich geliefd voelde. Speciaal. Gevierd. Dat was toch wat je deed, als je van iemand hield?

Haar eigen droom, de patisserie waarmee ze was begonnen vanuit haar appartement en die ze nu deelde met een andere ondernemer in een gedeelde bakruimte in Lombok, Utrecht, zoete dromen heette ze. Zij was ook haar eigen droom nog lang niet uit. Het contract met dat softwarebedrijf uit Amsterdam was nog niet rond. Kim, haar assistente, had haar vanochtend nog gebeld over de bestelling: de taart voor het jubileum, tweehonderdvijftig stukken, driehonderd cupcakes met het logo van Belgische chocolade erop.

Het moest er echt nog even op gezet worden, het was dringen, en of ze het kon redden. Ze had gezegd dat ze het zou proberen. Het moest gewoon lukken. Zij en Jeroen hadden het geld hard nodig.

Ze hoorde het gelach van buiten. Hanneke, zijn moeder, riep haar naam op die bijna vriendelijke toon die altijd een beetje beschuldigend klonk. Maríeke, kom je nog? De aardappelsalade wordt koud en de tafel heeft nog geen glazen.

Ze keek naar haar handen. Vanille. Boter. Pure chocolade.

Ze waste ze, veegde ze af aan haar schort, en liep naar buiten met een glimlach die ze voelde aankomen en die niet echt was. Hanneke stond bij de tafel. Ze was 59, altijd netjes gekapt, altijd in beige of donkerblauw, en ze had die stem die vriendelijk klonk maar de warmte miste van echte vriendelijkheid. Ze was niet boos, ze was nooit boos, ze was teleurgesteld.

En ze kon op een manier vragen waar de tijger nog wat van kon leren. Marieke, de gasten komen over een half uur en de glazen staan er nog niet. Ik zie geen champagnekoeler. En de tafel, het is zo kaal.

Er zijn toch servetten? Je had toch dat leuke servet met die bloemen meegenomen? Marieke haalde even adem. Ze had de servetten gekocht.

Ze lagen nog in de koffer. Ze glimlachte. Ik pak ze zo. Zal ik eerst een dienblad met drank neerzetten?

Nee, eerst de tafel, zei Hanneke beslist. Het oogt meteen rommelig als er al glazen staan voordat het eten klaarstaat. En als je dan toch bezig bent, kun je meteen de stoelen goed zetten. De tuinstoelen staan niet op gelijke afstand.

Achter haar hoorde Marieke het zachte lachen van tante Lydia. Ze keek opzij. Iedereen keek haar aan. Zei niemand iets.

Niemand zei: Laat haar even, het is haar feest. Niemand zei: Marieke, kom zitten, Jeroen haalt nog wel wat. Zelfs Jeroen stond met zijn bier naar zijn telefoon te kijken. Ze liep naar binnen, haalde de servetten uit hun plastic verpakking, deed ze in een mandje, en zette hem op tafel.

Ze wilde iets zeggen, iets aardigs, iets normaals. Maar voor ze kon spreken, vroeg Hanneke: En welke wijn heb je meegenomen? Die rode merlot en de witte halfdroge, zei Marieke. Ik heb ook bruiswater en frisdrank.

Hanneke keek alsof ze een vieze geur rook. Oom Koen drinkt geen merlot, meisje. Dat weet je toch. En nicht Sandra drinkt alleen Italiaanse pinot grigio.

De mannen willen een goede cognac. Jij hebt toch dat wijntje gehaald bij die zaak in Utrecht? Ja, maar dat is een andere fles. Hanneke zuchtte, zo diep dat het bijna zacht klonk.

Dan moet je even langs de supermarkt, hè, voor straks. Je haalt wel even wat bij. Het is hier vlakbij, toch? Het is een kwartier rijden, zei Marieke.

Ze dacht aan de aardappelen die nog op het vuur stonden. Ik moet de stamppot nog afmaken. Die kan wachten, zei Hanneke. Je hebt toch geen haast?

Je hoeft toch niet te gaan zitten praten, je kunt het doen terwijl wij eten. Ze lachte erbij, een lief lachje dat haar ogen niet bereikten. De ogen van tante Lydia stonden erbij alsof ze iets grappigs zag. Marieke stond stil.

De stilte duurde net iets te lang. Toen zei ze zacht: Ik weet niet zeker of ik dat red voor het eten. Hanneke lachte opnieuw, maar nu was het geen vriendelijk lachje meer. Ach, meisje, je redt wel.

Je bent toch niet iemand die moeilijk doet? Marieke wilde iets zeggen. Iets over de aardappelen, over de taart die nog in de oven stond, over het feest waar zij al weken aan had gewerkt. Maar Jeroen kwam juist op dat moment dichterbij, legde zijn hand op haar schouder, die harder kneep dan nodig was.

Doe nou maar even, zei hij. Je maakt het voor mij ook niet gezellig als je zo doet. Ze keek op. Zijn ogen waren helder, maar zijn vingers bleven knijpen.

Ze rook de drank. Jenever. Bier. Het was nog geen vier uur.

Ze wist dat ze kon zeggen: Jeroen, ik ben de hele week bezig geweest met dit weekend. Ik heb jouw moeder nooit iets kwalijk genomen, maar ik wil gewoon dat het fijn is. Ze wist dat ze kon weigeren. Ze wist ook dat hij dat niet zou pikken, en dat iedereen het zou horen.

Het zou de hele avond over haar gaan, over hoe moeilijk ze deed, over hoe lief zijn moeder het vroeg, terwijl iedereen haar toch kon zien. Ze zei: Goed, ik ga even. Ze deed haar schort af. Er ligt taart in de koelkast voor straks.

Zorg dat je de oven uitzet als de deksel loskomt. Ze liep naar binnen, pakte haar jasje, zocht haar sleutels. Haar handen trilden. Ze stond bij de deur toen ze achter zich een stem hoorde.

Het was Kim, haar assistente, maar ze hoorde het telefoontje van daarnet alweer. Het contract. De cupcakes. Het moest lukken.

Ze hoorde achter zich een klap. Jeroen stond in de deuropening van de keuken. Hij had zijn glas op de tafel gezet. Hij zei niets.

Hij keek alleen maar naar haar, alsof ze iets vreemd deed. En ze wist dat het niet over de boodschappen ging. Het ging erom dat ze wegging terwijl hij had gezegd dat ze moest blijven. Het was die avond, laat, na het eten, na het lachen, na de foto’s, na het moment waarop Hanneke opnieuw iets wist te zeggen over haar taarten.

Weet je, zei ze hardop tegen het hele gezelschap, ik snap nooit hoe je zo lang over zoiets simpels doet. Marieke, schat, volgende keer ga je gewoon naar de bank, dan koop je een rol van die kant-en-klare taartdeeg. Dat is net zo lekker, hoor, en dan hoef jij niet zo te zweten. Ze lachte om haar eigen grap.

Niemand zei iets. Marieke zat aan de andere kant van de tafel, met een kopje koffie dat ze nauwelijks aanraakte. De hele avond had ze het gedaan: geglimlacht, doorgegeven, geholpen, gediend. Ze had de wijn gebracht die Hanneke had aangewezen, de nootjes bijgevuld, het schort omgehad terwijl iedereen at, en gehoord hoe tante Lydia tegen een nicht zei: Zij doet het graag, hoor, ze is gewoon zo.

En nu zei ze het niet meer. Ze zette het kopje neer. De stilte viel. Ze keek naar Hanneke, toen naar Jeroen.

Zei zacht: Ik denk dat ik straks nog even de keuken opruim. Hanneke wuifde. Dat kan morgen toch. Nee, zei Marieke.

Ik denk dat ik straks nog de keuken opruim. Jij hebt mij vanmiddag gevraagd om de boodschappen te halen terwijl ik de aardappels nog op had staan. Ik heb ze gehaald. Ik heb de wijn gehaald die jij wilde.

Ik heb de glazen omgezet en de stoelen rechtgezet en nog een keer geglimlacht toen jij zei dat ik me maar niet moest haasten. En dat is prima. Maar nu ga ik de keuken opruimen, en daarna ga ik naar bed. De stilte was nu echt om te snijden.

Iemand legde een vork op een bord. Jeroen keek haar aan. Zijn gezicht liep rood aan. Dat gebeurde vaker als hij te veel had gedronken.

Het was een langzame, onmiskenbare kleur die begon bij zijn hals en omhoog trok. Hij lachte kort. Het was geen vrolijk lachje. Dat meen je niet.

Ik meen het wel. Je kunt wel een grapje maken, zei hij, maar nu niet te veel. Ik maak geen grapje. Ik ben alleen naar de keuken.

Ze stond op. Iedereen keek toe. Ze wilde niet gênant doen, niet dramatisch. Ze wilde gewoon dat het ophield.

En dat deed het ook, bijna. Ze stond op en liep langs de tafel naar de keuken. Ze hoorde hem opstaan. Ze hoorde het schrapen van de stoel.

Ze dacht: als ik nu gewoon doorloop, is het klaar. Dan gaat hij straks naar bed en morgen is het over. Ze liep door de openslaande deur naar de veranda, want de keuken was te ver, ze wilde niet dat de hele familie haar bezorgd hoorde. Ze hoorde hem achter zich.

Hij greep haar arm. Zijn vingers knepen hard genoeg om pijn te doen. Hij draaide haar om. Zijn gezicht was dichtbij.

Zijn adem rook naar sterke drank. Je doet niet zo, zei hij. Je gaat naar binnen, je lacht naar mijn moeder, en je zegt sorry. Ze keek naar zijn vingers.

Ze wist wat er gebeurde. Ze wist ook dat als ze nu niet haar rug rechtte, ze het nooit zou doen. Ze zei zacht: Nee. De klap kwam niet.

Dat had ze bijna verwacht, maar het was geen klap. Het was een duw. Geen harde duw, niet alsof hij haar wilde kwetsen. Eerder alsof hij haar wilde laten merken dat hij haar kon laten vallen.

Ze stond met haar rug naar het zwembad. Ze voelde de rand van de tegels tegen haar kuiten. Ze zag de blik in zijn ogen veranderen, van boos naar iets wat op voldoening leek. En toen hoorde ze het water voordat ze het voelde.

Het geluid van haar eigen lichaam dat het koude water raakte. Het was alsof er een vuist in haar borst greep. Ze kon geen lucht meer krijgen. Het water was zo koud dat het pijn deed, dat het in haar longen sneed, en ze sloeg met haar armen om haar heen, worstelde, voelde haar handen aan de gladde wand glippen.

Ze wist niet meer waar boven was. Toen ze eindelijk bovenkwam, happend naar adem, met haren in haar gezicht en water dat uit haar neus en mond liep, hoorde ze het lachen. Het was geen verrast lachen. Geen bezorgd lachen.

Het was hard, oprecht lachen. Het lachen van mensen die plezier hadden om haar vernedering. Ze zag ze aan de rand van het zwembad. Hanneke stond met haar handen voor haar mond, maar haar ogen lachten mee.

Tante Lydia hield haar glas vast alsof ze proostte. En Jeroen stond vooraan. Hij lachte het hardst. Zijn schouders schokten.

Hij wees naar haar, naar haar natte haren, naar haar kleren die aan haar lijf plakten. Zei met een stem die haar overal op de huid deed kruipen: Kijk haar nou toch, ze kan er ook niet tegen. De tranen kwamen niet. Ze voelde zich koud, ja.

Ze voelde zich doorweekt en beschaamd. Maar ze voelde ook iets anders, iets dat ze daar in dat koude water niet wilde herkennen. Het was alsof ze wakker werd. Alsof de klap van het water de troebele mist in haar hoofd had opgeruimd.

Ze keek naar de mensen die ze de afgelopen vier jaar familie had genoemd. Ze zag hen lachen. En ze wist dat ze nooit meer terug naar dat huis zou gaan. Ze greep de rand van het zwembad.

Niemand hielp haar. Ze trok zichzelf omhoog, haar kleren zo zwaar als lood. Water stroomde over de tegels. Ze stond even, midden in haar doorweekte jurk, en keek hen aan.

Hanneke lachte nog steeds, maar het lachen werd minder. Ze keek Marieke aan en zei: Nou, het was maar een geintje hoor. Je hoeft niet zo te kijken. Marieke zei niets.

Ze liep langs hen heen. Haar tennisschoenen piepten in het nat. Ze liep naar binnen, naar de slaapkamer. Daar bleef ze staan.

Haar handen trilden niet meer. Ze pakte haar telefoon, en ze belde het enige nummer dat ze op dat moment kon bedenken. Het nummer van Kim. Ze kreeg voicemail.

Ze sprak in, en haar stem klonk helder. Kim, ik ben het. Die bestelling van het softwarebedrijf, het is akkoord. Zeg tegen hen dat ik woensdag lever.

En zeg dat ik een paar dagen vrij neem. Ze hoorde gestommel. Jeroen kwam de kamer binnen. Hij was nog aan het lachen.

Zijn stappen waren onvast. Hij zag haar kleren nog aan, de natte haren. Hij kwam naar haar toe en deed alsof hij haar wilde omhelzen. Nou, kom op, zei hij.

Niet boos zijn, dat was een grapje. Je weet toch dat ik van je hou. Ze deed een stap opzij. Ze keek hem aan, en voor het eerst die dag voelde ze geen angst en geen woede.

Ze voelde vooral rust. Ze zei: Ik ga morgen weg. Hij lachte opnieuw. Je gaat nergens heen.

Je bent gewoon boos. Ik ga wel even slapen, je moet morgen toch werken. Ze zei: Ik ga morgen weg, Jeroen. En ik kom niet meer terug.

Hij keek haar aan. Het duurde even voordat het tot hem doordrong. Toen veranderde zijn gezicht. Niet in woede, niet in verdriet.

In iets wat leek op ongeloof. Wat zei je? Je bent dronken, zei ze. Ik praat morgen wel met je.

Nee, zei ze. Je praat morgen niet met mij. Je gaat maar even bij je moeder langs. Ze ging de badkamer in, deed de deur op slot.

Ze hoorde hem nog even tegen de deur bonzen, toen werd het stil. Hij ging weg. Waarschijnlijk naar zijn moeder, om haar te vertellen hoe onredelijk zijn vrouw wel niet was. Marieke stond onder de warme douche tot haar huid rood was.

Ze bleef er te lang onder staan. Ze dacht aan de afgelopen jaren. Niet alleen aan de duw, niet alleen aan het koude water. Aan de kleine dingen.

De grapjes over haar taartjes die hij lachend aan zijn moeder doorgaf. De momenten waarop hij haar geheimen vertelde, haar onzekerheden, alleen maar om bij zijn familie iets te winnen. De keren dat zij ’s avonds huilde in de badkamer terwijl hij dacht dat ze haar ogen waste. De volgende ochtend was hij weg.

Zijn koffer stond al gepakt, maar dat wist ze pas later. Ze bleef nog twee dagen in het huis, ruimde op, waste de lakens. Hanneke belde. Eén keer.

Ze zei: Ik hoop dat je weet wat je doet, Marieke. Je bent niet meer de jongste. Jeroen is een goede man. Hij heeft veel voor jou gedaan.

Marieke zei niets. Ze liet haar uitpraten en verbrak de verbinding. Ze belde de eigenaar van de patisserie, zei dat ze even wat afstand nodig had. Ze regelde dat Kim de bestellingen overnam.

Ze verhuisde haar spullen in twee dagen. Ze ging niet terug naar hun appartement in Utrecht. Ze had een vriendin in Amsterdam, een oud-studiegenoot uit de tijd dat ze daar haar opleiding had gedaan, en die had een lege kamer. Ze wist dat het tijdelijk was, maar het was genoeg.

De eerste weken waren vreemd. Ze verwachtte dat ze zich eenzaam zou voelen, maar dat deed ze niet. Ze voelde zich vooral licht. Alsof ze eindelijk een gewicht had neergelegd dat ze niet eens meer merkte dat ze droeg.

Ze belde Kim elke dag voor de werkzaamheden. De bestelling voor het softwarebedrijf was gelukt. De taarten waren prachtig, de cupcakes stonden er perfect op. Ze kreeg berichtjes van klanten die vroegen of ze nog meer bestellingen aannam.

Haar agenda liep leeg. Ze had geld nodig, dat wel. Ze had een lening voor de patisserie, en die moest worden afbetaald. Ze ging weer aan het werk, maar ze deed het anders.

Ze stond elke ochtend op en dacht niet meer: wat moet ik vandaag doen om lief gevonden te worden. Ze dacht: wat wil ik vandaag maken. Jeroen belde. Niet vaak, maar wel vaak genoeg om het lastig te maken.

De eerste keer klonk hij dronken, midden in de nacht. Hij zei dat hij van haar hield en dat hij haar miste. Dat het allemaal een vergissing was. Dat ze hem niet zo kon laten vallen, niet na alles.

Ze luisterde. Ze wachtte tot hij uitgesproken was. Toen zei ze: Je hebt me geduwd, Jeroen. Nee, zei hij.

Dat was een ongelukje. Ik had te veel gedronken. Ik zou het nooit doen. Ze zei: Je hebt me geduwd terwijl ik niet kon zwemmen.

Ik kon daar doodgaan. Hij zweeg even. Toen zei hij: Je kunt wel zwemmen, hoor. Je had gewoon even moeten bijkomen.

Ze voelde geen woede. Alleen die vreemde rust. Ze zei: Ik wil niet dat je me nog belt. Ik wil ook niet dat je bij me langskomt.

Als je het wel doet, bel ik de politie. Jij en ik zijn klaar. Ze verbrak de verbinding. Ze wist dat hij haar waarschijnlijk niet serieus nam.

Dat dacht hij van haar hele huwelijk. Ze had een tijdje gedacht dat zij het probleem was, dat zij te gevoelig was, te streng, te veel bezig met taarten en dromen. Maar dat was niet waar. Het was nooit waar geweest.

Ze ging terug naar de patisserie. Ze werkte er hard, maar het voelde niet meer als werken. Het voelde als thuiskomen. Ze maakte de recepten die ze altijd al had willen maken, dingen die ze nooit durfde te bakken voor Jeroen, omdat hij alleen maar vanille en chocola lekker vond.

Ze maakte kersenclafoutis, pistachegebak, taarten met lavendel en citroen. Ze experimenteerde. Ze liet zich gaan. En haar klanten merkten het.

Ze kregen complimenten over de smaak, de luchtigheid, het oog. Ze kregen bestellingen van bruiloften, van doopfeesten, van bedrijven die een bijzondere taart wilden. Een paar weken later kreeg ze een berichtje van Hanneke. Niet via de telefoon, maar via Facebook, alsof ze iets wilde dat bewaard kon worden.

Het was een lange tekst vol verwijten. Hoe kon je zoiets doen tegen Jeroen? Hij was er kapot van. Hij huilde.

Hij was zijn baan bijna kwijtgeraakt door het verdriet. En dan dat gedoe met de scheiding. Zoveel gedoe. Zoveel kosten.

Jij dacht zeker alleen maar aan jezelf. Marieke las het bericht twee keer. Ze voelde bijna niets. Ze typte een kort antwoord terug.

Dag Hanneke. Ik hoop dat je kinderen nooit hoeven te horen hoe het gegaan is. Ze blokkeerde haar daarna. Ze wist dat er nog meer berichten zouden komen, over hoe slecht zij was, over hoe zij hem had geruïneerd.

Maar dat raakte haar niet meer. Ze had al te lang geleefd naar de regels van anderen. Ze had geluisterd naar de stemmen die zeiden dat ze lief moest zijn, aardig, niet zo moeilijk. Het enige wat die stemmen haar hadden opgeleverd, was een man die haar in een ijskoud zwembad duwde terwijl zijn familie lachte.

Een paar maanden later zat ze op een zondagochtend aan haar keukentafel in haar appartement in Amsterdam. Ze had een kop koffie, een boek erbij. Buiten regende het zachtjes. Haar telefoon trilde.

Het was Kim. Ze nam op. Weet je dat je op het puntje van mijn tong zat? Ik heb een vraag.

Vertel eens. Ik heb een aanbod gehad van een cateringbedrijf. Ze willen weten of we voor hen een speciale lijn kunnen maken, alleen taarten, maar dan wel met onze eigen stijl. Ik zei dat ik het zou vragen.

Ik zei dat ik jou wel even zou bellen. Marieke glimlachte. Het klonk interessant. Het klonk goed.

Ik kijk er naar uit. Maar eerst moet je mij iets beloven. Wat dan? Dat we voortaan zelf onze prijzen bepalen.

En dat we stoppen met die extraatjes. Geen korting meer omdat iemand aardig doet. Geen gratis bezorging omdat iemand je een lief berichtje stuurt. We zijn goed in wat we doen.

Kim lachte. Dat ben je al lang, zei ze. Ik had alleen even iemand nodig die me dat vertelde. De volgende ochtend begon het zoals elke dag begon.

Ze stond vroeg op, zette koffie, liep naar haar kleine atelier aan de Keizersgracht, waar ze inmiddels samen met Kim een eigen ruimte deelde, een stuk groter dan de keuken waar ze ooit was begonnen. Ze deed het licht aan. Ze rook de vanille, de boter. Ze zette de oven aan.

Ze begon te werken. Ze roerde door de chocolade, proefde de vulling, bekeek de taarten die de avond ervoor waren opgesteld. Alles was er nog. Alles was goed.

Ze wist dat er nog zware dagen zouden komen. Dat het ondernemerschap niet alleen maar dromen was, maar ook nachten doorwerken, leveranciers die niet leverden, klanten die klaagden. Maar ze wist ook dat ze het nooit meer zou verdragen dat iemand haar klein maakte. Nooit meer.

Een paar weken later stond er ineens iemand in de winkel. Het was een zaterdag, rustig, en ze was bezig met het decoreren van een bruidstaart. De deurbel rinkelde. Ze keek op.

Het was een man, een jaar of veertig, keek om zich heen. Kan ik u helpen? Ja, zei hij. Ik zag je raam voorbijkomen.

Ik ben op zoek naar een taart voor de verjaardag van mijn moeder. Ze wordt tachtig. Ze is gek op een goede slagroomtaart. Geen kant-en-klaar gedoe, maar zo eentje waarvan ze zegt: dit is echt goed.

Marieke lachte. Dat kan ik wel maken. Komt u erbij zitten, dan nemen we de opties door. Ze praatten over smaken, over vullingen.

Hij was niet gehaast. Hij vroeg naar haar verhaal, waarom ze patissier was geworden. Ze vertelde over haar moeder, die altijd alles vers maakte, nooit iets uit een pakje. Ze vertelde niet over Jeroen.

Dat hoefde ook niet. Het hoorde niet meer bij haar. Toen hij wegging, bleef hij bij de deur staan. Tot ziens, zei hij.

En bedankt. Geen dank, zei ze. Komt u gerust langs als u nog iets nodig heeft. Hij knikte.

Hij liep de deur uit. Ze keek hem na. Ze voelde zich niet tot hem aangetrokken, niet speciaal, maar wel vrolijk. Ze kon weer praten met een vreemde zonder bang te zijn dat ze iets verkeerds zou zeggen.

Ze keek naar de bruidstaart. Die zag er goed uit. Ze hoefde niets meer te bewijzen. Een maand later stond ze op het punt de winkel voor de avond te sluiten.

Ze hoorde voetstappen achter zich. Ze draaide zich om. Het was Kim, met haar jas al aan. Hé, zei ze.

Ik wilde je nog wat laten zien, als je nog even tijd hebt. Ik heb altijd tijd, zei Marieke. Kim haalde haar telefoon tevoorschijn en opende een website. Het was een krantenartikel.

Ze klikte door. Het was een artikel over een bedrijf dat werknemers slecht behandelde. Ze las de titel. Ze schrok niet.

Ze las verder. Er stond een naam bij. Jeroen van Dijk. Er stond dat hij als manager was ontslagen vanwege grensoverschrijdend gedrag.

Iets met intimidatie van een collega, een vrouw die een klacht had ingediend. Ze legde de telefoon neer. Ik wilde niet dat je het van iemand anders hoorde, zei Kim. Waar heb je het over?

Ik heb het over Jeroen. Je ex. Hij is dus ontslagen. Marieke keek haar aan.

Ze voelde niets. Geen opluchting, geen triomf. Alleen een soort vrede. Dat had ze niet verwacht.

Oké, zei ze. Dat is goed om te weten. Ben je niet geschrokken? vroeg Kim voorzichtig.

Marieke schudde haar hoofd. Nee. Ik denk dat ik het eigenlijk wel wist. Niet van het ontslag, maar van hoe hij was.

Ik wilde het alleen niet zien. Je kan het niet helpen, zei Kim. Je houdt van iemand. Dat is geen zwakte.

Marieke glimlachte. Nee, zei ze. Dat is het niet. Maar je kan ook van jezelf houden.

Dat had ik even vergeten. Kim keek haar aan, knikte, en zette haar telefoon uit. Ik ga er vandoor. Morgen de bruidstaart van zeven uur?

Ik ben er. Goed. Ze liep naar de deur en bleef nog even staan. Je weet dat je trots op jezelf mag zijn, hè?

Dat je hier bent uitgekomen. Marieke keek haar aan. Ik weet het, zei ze. Dat ben ik ook.

De avond viel. Ze bleef nog even staan in haar winkel. Ze keek rond. Naar de glazen toonbank met de taarten, naar de rekken met de dozen, naar de foto’s aan de muur van haar eigen creaties.

Geen enkele foto van Jeroen. Die waren allemaal al lang weg. Ze zette het licht uit en sloot de deur af. Buiten was het koel.

De lente kwam eraan. Ze fietste naar huis, langs de grachten. De lantarens weerkaatsten in het water. Ze dacht aan wat ze had gezegd tegen Kim.

Je kan ook van jezelf houden. Dat had ze hardop gezegd, tegen een ander. Maar voor het eerst wist ze zeker dat het waar was. Ze zette haar fiets in het rek en liep de trap op.

In haar woning stond de schemerlamp nog aan, alsof iemand haar had verwacht. Ze deed haar jas uit, ging aan tafel zitten, en opende de envelop die op de deurmat lag. Het was een factuur van de belastingdienst. Niet van haar.

Het was een brief op naam van Jeroen. Die had hier vast nooit gewoond. Ze pakte de telefoon om het nummer van de belastingdienst op te zoeken, maar toen zag ze dat het al laat was. Ze kon het morgen wel regelen.

Ze zou de brief terugsturen met de mededeling dat hij hier niet woonde. Maar dat deed ze niet meteen. Ze hield de envelop vast. Even dacht ze erover om hem te openen.

Nee. Ze legde hem weg. Het was niet meer haar zorg. Dat was het nooit geweest.

Ze ging naar de badkamer, deed haar haar los, keek in de spiegel. Ze zag een vrouw van 32, met grijze ogen en handen die naar chocolade roken. Geen wallen meer. Geen onzekerheid meer.

Ze zag iemand die een deur dicht had gedaan. Ze glimlachte naar haar spiegelbeeld. En voor het eerst in jaren meende ze het ook.